de verschijning van het H. Hart
Plaats in de kerk: priesterkoor, apsis, rechtervenster
atelier F. Nicolas en Zonen, Roermond, ca. 1881-1882
Het verhaal
De verering van het Heilig Hart van Jezus vierde in de late negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw hoogtij, zoals blijkt uit de talrijke Heilig-Hartbeelden die ook tegenwoordig nog in katholieke streken te vinden zijn. Ook in veel katholieke gezinnen was voor huisdevotie een Heilig-Hartbeeld aanwezig, meestal van gips.
Dat dit symbool van Jezus liefde en barmhartigheid destijds zo stevig verankerd raakte in het katholieke geloofsleven is door sommige historici in verband gebracht met de sociale kwestie. In reactie op het ontstaan van een arbeidersklasse met bijkomende sociale problematiek werd krachtig geappelleerd aan naastenliefde op christelijke grondslag. Men verweerde zich als het ware onder de vlag van het Heilig Hart tegen ontkerkelijking en socialisme.
De oorsprong van de verering ligt in het Franse Paray-le-Monial, waar Jezus rond 1675 verschillende malen aan de kloosterlinge Margaretha-Maria Alacoque zou zijn verschenen met de opdracht de devotie tot zijn hart te bevorderen.
Halverwege de negentiende eeuw werd een kerkelijke feestdag ter ere van het Heilig Hart ingesteld.
De afbeelding
Margaretha-Maria Alacoque knielt voor een verschijning van Jezus. Zij draagt een donker habijt met kap en witte kindoek. Een rode nimbus (de krans om het hoofd) maakt haar herkenbaar als heilige. Op de grond ligt zoals gewoonlijk het boek waarin zij aan het lezen was toen ze verrast werd door de verschijning. Margaretha- Maria heeft haar handen gevouwen en haar blik is gericht op het Heilig Hart.
Het Heilig Hart is zichtbaar in een stralenkrans midden op Jezus borst. Het brandt van zijn liefde en is omwonden met een doornenkroon, een verwijzing naar zijn lijden. (Men zette Jezus na zijn berechting een met doornen gevlochten kroon op het hoofd om hem bespottelijk te maken.) Boven het vlammend hart bevindt zich een kruisje.
Jezus draagt een vuurrode mantel over een blauw onderkleed. Het rood keert terug in zijn nimbus met ingeschreven kruis. Hij toont de wonden van de kruisiging op zijn handen. Onder zijn voeten bevinden zich wolkjes en zijn hele lichaam wordt omgeven door een mandorla (amandelvormige stralenkrans): alles wijst op een hemelse verschijning.
De compositie van dit tafereel is spiegelbeeldig aan het raam met de bevrijding van Petrus. De architecturale motieven en het ornamentele glas in de bovenste raamhelft zijn identiek.
meer informatie over H. Hart-verering
vorige : Jozef