St.Servatius Megen

Laatste Avondmaal


Plaats in de kerk: priesterkoor, apsis, middenvenster boven
Atelier F. Nicolas en Zonen, 1893

Dit gebrandschilderde raam bestaat uit twee scènes, rijkelijk aangevuld met architecturale elementen in gotische stijl. De scène onder, de Heilige Familie, verwijst naar het sacrament van de eucharistie, dat erboven is afgebeeld.

Er is gekozen voor een min of meer symmetrische compositie, omdat het raam zich midden in de apsis bevindt, dat wil zeggen in de as van de kerk, boven het altaar. De samenhang tussen het Laatste Avondmaal en het altaarsacrament wordt hierdoor versterkt.

Het verhaal

Afgebeeld is het Laatste Avondmaal, dat wil zeggen de laatste maaltijd die Jezus met zijn volgelingen, de twaalf apostelen, nuttigt voordat hij wordt gekruisigd. Hij stelt die avond brood en wijn gelijk aan zijn lichaam en bloed. Hij voorvoelt dat hij zal sterven, maar ook dat zijn dood de mensheid dichter bij God kan brengen en daarom is hij bereid zichzelf te offeren.

De Katholieke Kerk beschouwt het Laatste Avondmaal als de ‘instelling van de H. Eucharistie’. De eucharistie, het derde sacrament, laat de gelovigen de aanwezigheid van Jezus Christus ervaren. De priester herhaalt diens woorden. Bij het breken van het brood zegt hij: ‘Dit is mijn lichaam dat voor u wordt gegeven.’ En bij het tonen van de kelk zegt hij: ‘Dit is de beker van mijn bloed dat voor u wordt vergoten.’ Het ingezegende brood wordt uitgedeeld aan de gelovigen zoals Jezus het aan de apostelen uitdeelde tijdens het laatste gezamenlijke avondmaal.

De afbeelding

Jezus staat in het midden achter de gedekte tafel. Hij onderscheidt zich door zijn goudgele nimbus (stralenkrans om het hoofd) met rood kruis, maar ook doordat hij iets groter is afgebeeld dan de twaalf apostelen, zijn leerlingen, die hem omringen. Hij draagt een blauw onderkleed met daaroverheen een opengeslagen rood gewaad. Deze kleurcombinatie komt vaker voor bij Jezus en is symbolisch te interpreteren: blauw staat voor onschuld en hoop, en rood voor liefde, lijden en offer.

Jezus houdt de wijnkelk in zijn linkerhand voor zich en maakt met zijn rechterhand een zegenend gebaar. Hij spreekt het dankgebed uit. Even tevoren heeft hij ook het brood gezegend, gebroken en uitgedeeld. De meeste apostelen kijken naar hun meester op, maar de baardloze Johannes buigt zijn hoofd naar hem toe – hij is de apostel die Jezus het dierbaarst is.

Jezus weet dat er een verrader in hun midden is. Op de vraag om wie het gaat, antwoordt hij: ‘Degene aan wie ik het stuk brood geef dat ik nu in de schaal doop.’ Hij geeft het aan Judas en zegt: ‘Doe maar meteen wat je van plan bent.’ Helemaal rechtsachter zien we Judas het gezelschap verlaten, op weg naar de joodse hogepriesters om Jezus uit te leveren in ruil voor dertig zilverstukken. Het zakje met de beloning heeft hij al in handen.

Boven Jezus’ hoofd hangt een godslamp. Dat is een olielamp, hangend aan drie kettingen, die in de kerk dag en nacht brandt bij het Allerheiligste (de geconsacreerde hostie oftewel het lichaam van Christus) wanneer het is opgeborgen in het tabernakel, een speciaal kluisje. De godslamp brandt voor Jezus Christus (God), die volgens de kerkleer in de eucharistie aanwezig is – vandaar de benaming godslamp.

Het tafereel is opgenomen in een entourage met architecturale en florale motieven. Het Latijnse onderschrift luidt: ‘deditq[ue] discipulis suis, et ait: accipite, et comedite: hoc est corpus meum.’ (En gaf de leerlingen ervan met de woorden: ‘Neem, eet, dit is mijn lichaam.)

meer informatie :

volgende : Heilige Familie

vorige : Pinksteren