Anna en Maria
Plaats in de kapel: derde raam rechts
Jos Menke Glasmalerei Goch,1929
Het verhaal
Anna, moeder van Maria en grootmoeder van Jezus, kennen we niet uit de Bijbel. Het verhaal over Anna, haar echtgenoot Joachim en de geboorte van Maria is pas in de tweede eeuw opgetekend in zogeheten apocriefe boeken (niet officieel door de Kerk erkende evangelieteksten).
Anna en haar man Joachim zijn gehuwd, maar kinderloos. Zij leven helemaal volgens de Wet van God. Toch wordt het offer van Joachim in de tempel geweigerd, omdat hij geen kinderen heeft. Joachim vlucht met zijn kudde de woestijn in. Anna denkt dat hij dood is. Ze doet haar beklag bij God en vraagt om een kind. Haar gebed wordt verhoord. Tegelijk krijgt Joachim van een engel te horen, dat zijn vrouw in verwachting is. Hij keert met zijn kudde terug en ontmoet zijn vrouw bij de Gouden Poort in Jeruzalem en geeft haar een kus. Anna geeft het leven aan een meisje: Maria.
De verering van Anna begint in de vijfde of zesde eeuw in het Midden-Oosten en komt al spoedig naar het Westen. Zij bereikt haar hoogtepunt in de vijftiende en zestiende eeuw, en is populair in de Nederlanden. In die tijd ontstaat de Anna te Drieën, drie generaties samengebracht in één beeld. Heel bijzonder is deze variant: Anna draagt op haar arm of schoot Maria, die op haar beurt het kindje Jezus vasthoudt. Het attribuut van Anna is een boek (de Bijbel) of een vrucht, meestal een druiventros, die ze Jezus voorhoudt. Rond 1600 zitten Maria en Anna dikwijls op een bank, terwijl het kind tussen hen in staat.
Er zijn veel kerken en kapellen gewijd aan Anna, onder andere de St.-Annakapel op de Koolwijk in Herpen. Zij wordt vooral aangeroepen door vrouwen die een man zoeken of problemen hebben om zwanger te worden.
De afbeelding
Moeder Anna leert haar dochtertje Maria bidden. Ze zit op een bank en haar voeten rusten op een voetenbankje. De frêle Maria staat ernaast met de handen gevouwen. Anna kijkt naar haar en legt een hand op haar schouder. Met de andere hand gebaart ze om haar woorden kracht bij te zetten of om haar kind aan te moedigen. Een boek ligt op haar schoot.
Anna draagt een paars gewaad met gele ceintuur en daarover een blauwe mantel. Een ceintuur of gordel symboliseert de bereidheid God te dienen (Lukas 21:35) en de waarheid (Efeziërs 6:14). Haar hoofd is bedekt met een witte sluier. De goudgele nimbus brengt haar heiligheid tot uitdrukking.
Maria is blootsvoets en draagt een felrood kleed. In haar loshangend haar draagt ze een geel haarbandje. Ze heeft een witte nimbus met een goudgele rand. De bank waarop Anna zit, staat tegen een stenen muurtje. Rechts is een houten poort. We kijken over het muurtje naar een landschap met wat groen en bebouwing. De perspectieflijnen van de vloertegels zorgen voor dieptewerking.
Boven het tafereel zijn fantasievolle motieven in gotische stijl aangebracht, eronder ornamentele vazen met ranken tussen gotische pinakeltjes.
meer informatie
volgende : H. Aloysius
vorige : de verschijning van het Heilig Hart